Onlangs hoorde ik op de radio de Schot Roy Dittrich die in zijn thuisstad St Andrews een fanclub oprichtte voor een Sint-Truidense voetbalclub. Over zijn Schotse roots zei hij: ‘Ik ben trots op mijn Schotse roots’.
Mezelf kennend sloeg ik prompt aan het problematiseren en analyseren van die uitspraak. Zum Beginnen de betekenis van het woord trots. Het simpelste synoniem dat ik vond was ‘fier(-heid)’.
Fierheid of trots is een aangenaam gevoel dat men krijgt als men direct of indirect iets heeft helpen verwezenlijken. Trots heeft meestal iets ego-fuckerigs - je bent trots omdat iets jou een leuk gevoel geeft. Ik kan bijvoorbeeld trots op mezelf zijn dat ik ondanks drie keer overzitten in het middelbaar toch universiteit heb gedaan. Dat is dan een knap gevolg van wat ik direct heb verwezenlijkt, namelijk mijn studie afmaken. Ik kan fier of trots zijn op mijn dochter als zij in de kakschool een mooi dingetje in elkaar knutselt. Dat is indirect: ik zou blij kunnen zijn voor het feit dat zij evolueert op artistiek vlak. In mijn werkdefinitie ga ik dus uit van een plezant gevoel dat volgt op een verwezenlijking van iets.
Als we nu terug gaan naar onze Schot, dan rijst de volgende vraag. Hoe kan Dittrich trots zijn op zijn Schotse roots? Heeft hij zijn Schotse roots verwezenlijkt? Heeft hij direct of indirect iets bijgedragen aan zijn afkomst? Nee, want dat is onmogelijk. Het is ook zijn eigen keuze niet geweest om van Schotse afkomst te zijn. Was hij Ier, dan is hij er vast en zeker trots op.
Het is onmogelijk te kiezen voor de eigen afkomst, laat staan haar te verwezenlijken. Per definitie is het is absurd dat je trots bent op iets dat niet aan jou te danken is. Het filpje is geen ad hominem.
Waarom zou je niet fier zijn dat je een neus hebt?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten