
Je stemt in om een gunst te doen: volgt daar een verplichting uit?
Stel dat iemand jou een gunst vraagt. Bijvoorbeeld, op een feest naar huis gebracht te worden. Je stemt in. De persoon vraagt wanneer je denkt door te willen gaan. Je zegt dat je dat nog niet weet, waarschijnlijk wanneer je zelf wil. Heeft de vragende partij, samen met jouw instemming, recht op concretere informatie?
Misschien is het een populaire gedachte dat wie een gunst vraagt vrijwillig zich afhankelijk stelt van de ander en daardoor geen concretere waarmakingen van de gunst moet verwachten. Het is een vrijblijvende materie en de persoon die jou een gunst doet heeft geen verplichting tegenover jou. Gunnen is immers iets dat men wenst te doen. En wensen is anders dan willen.
Was het maar zo simpel.
Mijn redenering is de volgende: een gunst gaan krijgen is hetzelfde als iets beloofd worden. Nu, als we gunsten zien als beloften zien, dan wordt het belofte doen geen unilateraal gegeven, maar een bilateraal gegeven. Niet één partij zal de wens inwilligen wanneer het haar uitkomt, nee, er zijn twee partijen betrokken: een vragende en een gevende.
Laten we terug het voorbeeldje kijken. Als iemand belooft de andere persoon naar huis te brengen, maar wil niet concreet zeggen wanneer dat zal gebeuren heeft die eigenlijk nog niks beloofd, alleen unilateraal ingestemd om iets te doen. Zolang er geen concrete afspraken zijn gemaakt, maar er alleen een instemming is geweest, is er eigenlijk niks beloofd. De belofte wordt er pas één als er een concreet vooruitzicht is – zonder concreet uur van vertrek is dat vooruitzicht er niet.
De redenering is dus dat een belofte er geen is zolang zij geen concrete invulling krijgt of op zijn minst een vooruitzicht heeft. Een tegenargument zou kunnen zijn dat een gunst vragen een vrijblijvend gegeven is dat te nemen of te laten is. In zo’n geval is het instemmen om een gunst te verlenen niet meer dan zelf willen bepalen of men de gunst wel zal doen. Op zo’n manier zegt men ‘ja, ik wil jou een gunst doen, maar het hangt volledig van mezelf af wanneer ik die zal doen en of ik die zal doen.’
Voor mij impliceert het instemmen om een gunst te doen geen vrijblijvend engagement. Het veronderstelt een actief engagement dat desnoods afbreuk doet aan het eigen plezier dat men eventueel nog zou kunnen beleven op zo’n avond. In deze context is er na het instemmen geen verschil tussen ‘willen helpen’ en ‘moeten helpen’.
Als we gunsten verlenen zien als beloften maken, dan is het niet meer moeilijk om te begrijpen dat een belofte doen pas echt een belofte is als er concrete afspraken zijn die bilateraal gelden. Als iemand niet akkoord gaat met de vragen van de vragende, dan is het beter dat die zegt geen gunst te kunnen doen.
Toch weerklinkt in de vox populi de pretentie dat de vragende maar best héél bescheiden doet, want die moet al blij zijn dàt er voor hem of haar een gunst wordt gedaan. Dat is verkeerd: die persoon kan pas blij zijn als de belofte effectief is ingewilligd. Veel kan daarom voorkomen worden met concrete afspraken over gunsten. Als je zegt dat je iemand een gunst zal doen, maar dat het eigenlijk vrijblijvend is en afhankelijk van de gunstgever, dan zegt die eigenlijk niet veel meer dan het volgende:
Ik beloof een gunst te zullen doen, behalve als ik geen zin heb om mij er aan te houden.
Het is een categorische imperatief met als uitzondering de uitvoering ervan. Niks, dus.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten