Mores sana in copore sano

Een mens die het slechte doet weet dat hij dat doet en hij weet dat het slecht is voor de gezondheid. Hij weet het en toch doet hij het. Hij lijkt zich zelf te moeten overtreffen om toch het slechte te doen, zelfs al zegt zijn morele intuïtie anders. Het is een vreemde constatatie. Het is hetzelfde wanneer je als enige door het rood licht stapt en je maakt oogcontact met iemand die wacht op groen licht. Het oogcontact is er, en zelfs al is er geen moreel oordeel af te lezen uit de reactie van de persoon die tegenover je staat, je bent 'gezien'. Je wordt geconfronteerd met je eigen overtreding. Dat is een aangrijpende ervaring, zelfs al gaat het om een relatief onschuldig gegeven als door het rood licht lopen.

Het lijkt wel alsof de mens evolutionair voorbestemd is om het goede te doen. Het goede doen doet hem goed. Het goede doen is gezond. Er lijkt dan een soort objectiviteit van het goede vanuit te gaan. En die mensen die in naam van hun religie stenigen, kastijden, onthoofden, verbannen, enz. zullen intuïtief ook wel ervaren dat er iets niet klopt – vandaar die innerlijke krampachtigheid die van zo'n mensen uitgaat. En geloof me: Osama Bin Laden heeft ook stress.

Omgekeerd, doe je iets dat niet mag, dan weet je dat. En het opmerkelijke is dat er een dissociatie optreedt tussen wat je in de uiterlijke wereld bereikt, en wat er zich in je innerlijk afspeelt. In het voorbeeld van het rood licht bereik ik sneller de overkant van de straat, ja. Maar innerlijk is het gezien zijn, - en dat
is zelfs nog geen noodzakelijke voorwaarde – een zware last. Een last die, zou je hem door een ander gedragen zien worden, iemand meelijwekkend maakt. Die impotentie om het goede te willen doen, die maakt iemand tot minder mens. En de vermijdbare schade als gevolg van niet het goede willen doen is ook zielig: waarom doe je jezelf nu zoiets aan?

Het goede doen is dus goed voor de gezondheid: geen stress over waarheidsgehaltes, geen verdringing van het schuldbewustzijn, niks dat krampachtig moet gaccepteerd worden, niks om mee te copen, gewoon een Eternal Sunshine of the Spotless Mind. De ontkenning van de eigen verantwoordelijkheid in het morele handelen is niet als een ezel die achter een wortel loopt, maar een mens die achter een spiegeltje loopt waarin hij niet wil kijken. Hij kan het hoofd schudden om de spiegel uit het zicht te doen, maar vroeg of laat toont zijn eigen reflectie zich aan hem. En die confrontatie met het zelf is hard. Het lijkt op de wet van de karma. Het slechte doen keert zich tegen je. Karma is trouwens afgeleid van een taalkundige wortel die 'doen' betekent. Karma is daad; de wet van het (morele) handelen.

Maar hoe zit het dan met de gevallen waarin men niet gezien is? Met de gevallen waarin de sociale controle jou geen geweten schopt? Dar ligt het moeilijker. Het verhaal van de Ring van Gyges maakt ons al attent op de complexiteit van het moreel goede verwezenlijken (of het slechte te vermijden) zonder dat dit door een sociale omgeving wordt erkend of herkend. Zo kun je je bijvoorbeeld afvragen of met opzet een twijgje afbreken tijdens een dropping in het Zwarte Woud moreel bezwaarlijk is. Ik denk dat of het nu gezien is of niet, eens je geweten gevormd is door sociale factoren (cultuur, omgeving, opvoeding, en dergelijke) je weet dat het slecht is. Dat je niet wordt gezien speelt geen rol – je geweten werkt ook als je alleen bent. Zo kun je dan wel 's nachts een papiertje van een snoepje op straat gooien met mijlenver niemand om het te zien, je weet dat je iets doet dat moreel bezwaarlijk is. Met andere woorden, het goede doen is goed voor je gezondheid en het slechte doen is slecht voor je gezondheid. Blijkbaar is er een verband tussen fysieke en emotionele gezondheid en je moraliteit.

Ik hoop dat je nu geen aspirientje moet nemen.

Geen opmerkingen: