
Moraliteit en leed
Het goede doen houdt in leed vermijden of verminderen. En omgekeerd geluk bezorgen of vermeerderen. Het leed, lijden, pijn hebben, pijn doen en dergelijke nemen in de ethiek de belangrijkste plaats in.
Maar algemeen over leed spreken is te vaag om er precieze uitspraken over te doen. We dienen een verschil maken tussen soorten leed, meer bepaald, twee soorten: instrumenteel leed en bedoeld leed, met in het laatste geval het leed als doel van de ethische handeling.
Iemand doebewust pijn doen is voor veel mensen afkeurenswaardig. Maar die afkeuring verdwijnt naarmate de grotere context en de motivatie van het toebrengen van dat leed duidelijk wordt. Zonder ‘goede reden’ iemand pijn doen kan ingegeven zijn door sadisme of een gebrek aan empathie. In die gevallen is het leed af te keuren, tenzij daar waar de gepijnigde erom vraagt. Maar spreken we nog van bedoeld leed als erom gevraagd wordt? Veel masochisten beamen dat gevraagd leed wordt geïnstrumentaliseerd tot genotsmiddel. Is het genieten van gevraagde pijn immoreel? Sommigen zeggen ‘ja, want een gelukkig leven bestaat uit het nastreven van geluk en het vermijden van pijn en het vragen om pijn is een stap terug op de weg naar het geluk. Bijgevolg is om pijn vragen immoreel.’ Anderen zeggen ‘nee, want bedoelde pijn willen ondergaan dient in die context om het geluk (het plezier, dus) te bevorderen.’
Hoe zit het met een sadist die zonder er zelf plezier aan te beleven mensen pijn doet? Is het veroorzaakte leed dan minder erg? Hoe zit het daar? We kunnen in dat geval de motivatie van de sadist in rekening brengen. Als die sadist het onder dwang doet, dan is het ondergane leed hetzelfde. De masochist ervaart dezelfde pijn, ook al is die niet bedoeld door de gedwongen sadist.
Om de draagwijdte van leed veroorzaken en ondergaan dus beter te kunnen inschatten is het nuttig te differentiëren tussen motivatie en resultaat. Het wordt duidelijk dat wat de motivatie ook moge zijn, het leed hetzelfde blijft. Ik kan bijvoorbeeld niet de bedoeling hebben om plantjes plat te trappen tijdens een boswandeling, maar er zullen er hoedanook een paar platgetrapt achterblijven. Maar we spreken hier over bedoeld leed.
Als we spreken over instrumenteel leed, dan lijken de zaken anders te liggen. Als ik op een karate training wat lappen krijg van hogere gordels, dan is het hun bedoeling niet mij pijn te doen (wel, in die bepaalde situaties wel), maar wel de bedoeling om mij te oefenen in het vermijden van pijn. Ik leer uit de pijn die mij wordt toegebracht. Het leed dat mij wordt aangedaan is dus instrumenteel. Dat geldt ook voor examens doen om een diploma te halen, vermageren om er goed uit te zien, naar de tandarts gaan om mooiere tanden te krijgen, of bij de kapper twee uur stilzitten om een mooie permanent te krijgen, lang in de rij staan om een kleedje te kopen, enzovoort.
Speelt hier de motivatie een rol? Stel dat mijn kapper eigenlijk geen moer geeft om mij, of dat de tandarts mijn gezicht niet kan uitstaan. Zal dat iets veranderen aan het leed dat ik instrumenteel onderga? Nee. De pijn blijft hetzelfde. Maar het kan een louterende gedachte zijn dat de persoon die mij instrumentele pijn bezorgt het met goede bedoelingen doet. Het lijkt de pijn (in gedachte) wat te verzachten.
En bedoelde pijn? Een agressor die met goede bedoelingen mij wat lappen verkoopt om mijn geld af te pakken, verzacht diens motivatie mijn leed? Ook niet. Welke goede bedoeling zou er trouwens kunnen zijn als er niks in zit voor mij? Het blijft dus een scheve situatie dat het instrumenteel leed, gekoppeld aan goede bedoelingen zachter overkomt, dan bij bedoeld leed. Misschien ligt de clue tot dit onevenwicht in de hedonistische inslag van de mens: ‘Als er iets goeds in zit voor mij, dan wil ik de instrumentele pijn best verdragen.’
Twee lessen trekken we hieruit: 1) leed is niet per definitie immoreel, maar het gewicht ervan is afhankelijk van de situatie en 2) de motivatie voor een handeling die tot een bepaald resultaat leidt is niet van belang als we puur het eindresultaat beschouwen. Dit is waar Kant met zijn gebiedende wijzen gelijk heeft: de eigen motivatie mag niet van belang zijn in het ethisch handelen (bij hem, de plicht doen) – a (wo)man’s gotta do, what a (wo)man’s gotta do. Toch is het aangenamer te denken dat de persoon naast mij in de bus mij niet wurgt uit eigen beweging, dan wel dat het zijn plicht niet is dat niet te doen. Het werpt interessante vragen op over de relatie tussen plicht en het veroorzaken van instrumenteel en bedoeld leed. En dat is toch geen kleine Kanttekening.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten