Het leven als val tussen geboorte en dood

Toen ik nog studeerde, en de bibliotheken van de Leuvense universiteit frequenteerde om mijn thesis te schrijven, kwam ik in contact met allerlei filosofen die mij opleidingshalve werden opgedrongen in tekstvorm, maar ook met enkele die zelf mijn interesse hadden gewekt.

Nog lang voor ik naar de universiteit ging, bijvoorbeeld, in het middelbaar nog, had ik Sartres ‘Het existentialisme is een humanisme’ gelezen. Ik vond het een straf boekje en het sterkte mij in mijn vrijzinnig-humanistische levensvisie. Maar er waren ook andere filosofen die mij niet sterkten, maar mij integendeel de creeps gaven. Ik denk dan bijvoorbeeld aan Heidegger, over wiens Sein und Zeit ik had geleerd bij ondertussen zijn pensioen opsoeperend en opbiddend filosoof/theoloog (een oxymoron, als je het mij vraagt) Jan Van der Veken. Achteraf gezien was het niveau van diens lessen vergelijkbaar met subatomaire fysica geven aan de welpjes in de scouts. Hoedanook, die man, maar meer bepaald Heidegger, maakte iets los in mij. Heidegger kwam zo op de proppen met het idee van de geworfenheit: de idee dat het leven accidenteel is en dat je wake up one morning en je beseft dat je leeft - begin er maar eens aan. Dat verwarde mij enorm. Sartre gaf mij ruggengraat, Heidegger was een hedendaagse Prediker.

Dat accidentele van het leven, ik kon er niet goed mee om. Niet dat ik per se een telos wou, nee, het maakte het allemaal zou tragisch. Het was alsof het leven een oriëntatieloze val is tussen de geboorte en de dood. Daartussen kun je wat spartelen en de principes van de aërodynamica toepassen, maar te pletter zou je vallen. Komt daar nog bij dat toen de postmodernistische deconstructie hot was, met de uiteindelijke vaststelling dat al de ‘Grote Waarheden’ in feite de kleren van de keizer bleken, je voor minder identiteitsproblemen kon krijgen. De kern was onbestaande, je greep naar een schim, waarvan je dacht dat ze zekerheid gaf.

Gelukkig had ik nog de leer van het vroege boeddhisme leren kennen, die veel van deconstructie had in zijn analyse van de psychologische werkelijkheid en – in de latere vormen – de gehele werkelijkheid. Deconstructie in boeddhistische zin van het woord was de realisatie van de vergankelijkheid van entiteiten (concreta en abstracta). Je kunt het als volgt samen vatten: ‘Jongens en meisjes, trek het U niet aan, of 't nu schoon is of lelijk, ’t gaat allemaal voorbij.’ Wie graag essentialistisch denkt, gaat dan zwaar op zijn bek. Het boeddhisme ontkent immers (terecht) het bestaan van essenties, en bekijkt alles procesmatig, net zoals de zogenaamde procestheologie, gepopulariseerd door Alfred North Whitehead. Tussen Whiteheads theologie en het boeddhistische anicca [anitsja], de vergankelijkheid, zijn veel overeenkomsten, behalve dan Whitehead een opperwezen vooronderstelt om de boel te verklaren. De boeddhisten zeggen dat-Ie er misschien wel is, maar dat Hij of Zij niet met de wereld bezig is. De godsvraag is dus niet aan de orde in het boeddhisme, zeker niet in de context van het lijden op te lossen – dé doelstelling van de boeddhisten. Het boeddhisme is dus in zekere zin een deïsme.

Enfin, je leest dan Sartre, je voelt je goed. Kom je ineens Heideggers geworfenheit tegen, ben je helemaal van slag. Je zoekt je intellectuele toevlucht tot het boeddhisme en je leert omgaan met de willekeur en de machteloosheid van de mens tegenover de traag, maar zeker stromende rivier - die de existentie is - die uitmondt in de diepte van de eeuwigheid en de mateloosheid van de vergetelheid. Je bent effe goed, en dan sla je een boek open als Nietzsches Herwaardering van alle waarden. Terug naar af. Je dacht juist zekerheid te hebben gevonden, komt die Nietzsche af met morele deconstructies avant-la-lettre. Ik ben er lang niet goed van geweest – alweer mijn fundament onderuit gehaald, sapperlipopet! Je vereenzaamt, beseffend dat taal een beperkt communicatiemiddel is. Je vereenzaamt want je beseft dat je nooit met zekerheid zult weten dat je ten volle begrepen zult zijn. No chance dat je in iemands ervaringssfeer kan binnendringen en nagaan of 't allemaal is overgekomen. Een taalkundige en een existentiële eenzaamheid. Dat koppelen aan de metafoor van de val des levens, en je grijpt voor minder naar een Smoothie.

En dan denk je: word ik nu sterker van die lectuur? Word mijn hart getraind in het weerstaan van het inzicht dat het voor niks is? Of word ik net zwakker doordat ik de broosheid van mijn leven begin te onderkennen? Verlies ik de roeispaan die mij op die levensrivier zal helpen richting te vinden, maar mij nooit aan een oever zal doen aanmeren? Of is het uiteindelijk de parachute die ik tijdens mijn val uitdoe?

Die parachute, en dat is nog het tragische van al, die hebben we wel, maar eigenlijk moeten we zonder kunnen leven/vallen. Hij zal toch niet opengaan - evenzeer kunnen we het stromen van de rivier niet vertragen. We kunnen trekken en sleuren aan de trekker die de parachute opent, maar eigenlijk heeft het geen zin: we zullen te pletter slaan.

Wat kunnen we doen? Dit inzicht verdringen door ons te wentelen in een religieuze eeuwigheidsgedachte? Wel, als we zelfsuggestief genoeg zijn, dan werkt dat, maar voor sommige werkt het niet. Voor mij werkt het niet. Ik ben aan het vallen, net als gij, lezer. Punt. Akelig, maar ik moet er het beste van maken. Hoe doe ik dat: door te filosoferen, want filosoferen is leren sterven (Plato). Door de dood, de menselijke eindigheid, de smak als paradoxaal levensschenkend te beschouwen: door ons onze sterfelijkheid te realiseren, kunnen we pas leven. En door een realistisch en moreel verantwoord hedonisme te integeren in onze levensbeschouwing. En als je goed kijkt tijdens het vallen, kun je zien dat net op jouw hoogte en juist binnen handbereik er een buffettafel meevalt. .. Ik zeg dan: 'Geniet ervan en wirft ’em nog maar eens vol!'

Geen opmerkingen: